Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.
|
Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed
Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
| Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed | ||
| Vorm | Strofelied | |
| Herkomst | ||
| Taal | Nederlands | |
| Land | Nederland | |
| Periode | 1773 | |
| Psalm 51 | ||
| Schrijver | David (volgens opschrift) | |
| Type | Boetepsalm | |
| Latijnse titel | Miserere mei, Deus | |
| Vulgaat | Psalm 50 | |
| Berijming | Psalmberijming van 1773 | |
| Tekst | ||
| Dichter | Johannes Eusebius Voet | |
| Bijbelplaats | Psalm 51 | |
| Metrisch | 10-11-11-10-10-11-10-11 (1-9) 10-11-11-10 (10) | |
| Muziek | ||
| Componist | Loys Bourgeois | |
| Melodie | Psalm 69 | |
| Solmisatie | 3-5-5-6-3-5-5-2-4-3 | |
| Gebruik | ||
| Trefwoord | Boetpsalm HC Zondag 3 Van de oorsprong der ellende HC Zondag 26 Van de Heilige Doop HC Zondag 41 Van het zevende gebod HC Zondag 51 Van de vijfde bede | |
| Liedbundels | ||
| Psalmberijming van 1773 51 | ||
Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed is een berijming van Psalm 51, deze berijming maakt deel uit van de Psalmberijming van 1773. De tekst is van Johannes Eusebius Voet, de melodie is afkomstig uit de Geneefse Psalmen.
Inhoud
Opname beluisteren
Tekst
PSALM 51
1
Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed,
verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden,
delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden:
Uw goedheid wordt noch paal noch perk gezet.
Ai, was mij wel van ongerechtigheid:
mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden!
Zie mijn berouw, hoor, hoe een boet’ling pleit,
en reinig mij van al mijn vuile zonden.
2
Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad,
mijn zonde zie ’k mij steeds voor ogen zweven.
’k Heb tegen U, ja U alleen misdreven,
Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad;
ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog:
dies ben ik, HEER’, Uw gramschap dubbel waardig!
’k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog;
Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
3
’t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf,
neen, ’k ben in ongerechtigheid geboren.
Mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van Uw toren
reeds van het uur van mijn ontvang’nis af.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in ’t gemoed,
Gij, HEER’, Die weet, al wat ik heb misdreven;
Gij, Die mijn geest met wijsheid hadt gevoed
en in mijn ziel Uw Godd’lijk licht gegeven.
4
Ontzondig mij met hysop en mijn ziel,
nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.
Was mij geheel, zo zal ik witter wezen
dan sneeuw, die vers op ’t aardrijk nederviel.
Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd:
laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen!
Zo wordt opnieuw ’t verbrijzeld hart verheugd,
en in mijn geest de ware rust herboren.
5
Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad,
waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden.
Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden,
en spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Herschep mijn hart en reinig Gij, o HEER’,
die vuile bron van al mijn wanbedrijven,
vernieuw in mij een vasten geest, en leer
mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.
6
Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet,
ai, laat van mij Uw Heil’gen Geest niet scheiden!
Die kan alleen op ’t rechte spoor mij leiden.
Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet;
geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest,
de blijdschap weer, doe op Uw heil mij hopen.
Laat mij, gesterkt door enen eed’len geest,
volvaardig ’t pad van Uw geboden lopen.
7
Dan zal ik elk, die ’t heilspoor bijster is,
vrijmoedig al Uw rechte wegen leren;
de zondaar zal zich dan tot U bekeren,
en scheppen moed uit mijn behoudenis.
O God, Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld,
mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen,
dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld,
Uw heilig recht gepaard met goedheid roemen.
8
Heer’, open Gij mijn lippen door Uw kracht,
zo zal mijn mond Uw lof gestaâg vermelden.
Geen offer kan voor mijne zonden gelden:
behaagd’ U dat, straks wierd het U geslacht.
Indien Gij lust in brandend’ off’ren hadt,
dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken,
ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat,
maar zou ’t altaar van offervee doen roken.
9
Gods offers zijn een gans verbroken geest,
door schuldbesef getroffen en verslagen.
Dit offer kan Uw heilig oog behagen,
’t is nooit, o God, van U veracht geweest.
Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val
Uw goedheid niet van zijne burg’ren wijken.
Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal
door Uwe straf voor ’s vijands macht bezwijken.
10
Dan vindt Gij in onz’ offeranden lust,
waarmee wij U naar ’t heilig recht vereren:
dan zal ’t altaar de varren gans verteren,
dan wordt het vuur daarop nooit uitgeblust.
(Psalmberijming van 1773)
Ontstaan
Inhoud
Muziek
Zettingen
Bewerkingen om te zingen
Bewerkingen om te spelen
Muziekuitgaven
Hymnologische informatie
Culturele informatie
Literatuur
Externe links
Voetnoten
| Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje. Kerkliedwiki nodigt u uit uw kennis te delen door het artikel te verbeteren. |