Kerkliedwiki bundels.png
Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen!

Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.

Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen! – Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.

Nieuw verschenen: 'Op andere lippen' deel 2, een cd met liederen bij een afscheid. Lees meer over dit project.

Wil je ons werk financieel steunen? Hier vind je meer over doneren. Heb je vragen over de Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Hoe komt 't dat Gij ons verstrooit, o God mijn?

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is niet te vinden in één van de veelgebruikte liedbundels.
Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Hoe komt 't dat Gij ons verstrooit, o God mijn?
Vorm Strofelied
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode Omstreeks 1566
Psalm 74
Schrijver Asaf (volgens opschrift)
Type Klaagzang
Latijnse titel Ut quid, Deus
Vulgaat Psalm 73
Berijming Psalmberijming van Petrus Datheen
Tekst
Dichter Petrus Datheen
Bijbelplaats Psalm 74
Metrisch 10-11-11-10
Muziek
Componist Maistre Pierre
Melodie Psalm 116
Solmisatie 2-7-1-2-2-7-1-6-6-5
Gebruik
Trefwoord In tijden van overwinning
Liedbundels
Bundel van Petrus Datheen 74

Hoe komt ’t dat Gij ons verstrooit, o God mijn? is een berijming van Psalm 74, deze berijming maakt deel uit van de Psalmberijming van Petrus Datheen. De tekst is van Petrus Datheen, de melodie is afkomstig uit de Geneefse Psalmen.

Opname beluisteren

Tekst

PSALM 74

1
Hoe komt ’t dat Gij ons verstrooit, o God mijn?
Dat Uw gramschap, over ons zeer ontsteken,
Dikken rook uitwerpt, zo ’t hier heeft gebleken,
Die wij toch schapen Uwer weide zijn.

2
Uwes volks, dat Gij hebt verworven rein,
Gedenk toch eens, en Uw erfdeel bevrijdet;
Gedenk den berg Sion, die nu angst lijdet,
Dien Gij verlost en gekocht hebt allein.

3
Sta op, Heer’, en gans’lijk tenietedoet
Den hoop der godd’loze vijanden t’zamen,
Die moedwilliglijk, zonder hen te schamen,
Uw huis wredelijk treden onder voet.

4
Daar Uw werken voortijds waren verteld,
Daar hoort men ze brullen en wreed’lijk tieren;
Haar schand’lijke tekenen en banieren
Hebben zij daar opgericht en gesteld.

5
Eenieder van hen arbeidt nu met vliet,
Om Uwen heil’gen tempel te verderven;
Met bijlen zij even houwen en kerven,
Zo zulks in enen groten bos geschiedt.

6
’t Heerlijk schutwerk uitgesneden zo wel,
’t Welk een sieraad Uws huis was onderwijlen,
Hebben zij met houwmessen en met bijlen
Ontstuk gehouwen en verwoest zeer snel.

7
Zij hebben ook met den vure verbrand
Uw heilig huis, ’twelk zeer hoog was verheven;
Zij hebben ’t ook ontheiligd en daarneven
Verdorven, ja, gemaakt slecht als het land.

8
Haast spreken zij: Laat ons deez’ worgen all’.
Zij hebben ook met harten zeer moorddadig,
Uw heil’ge plaatsen wreed en ongenadig
Verbrand en overal gebracht ten val.

9
Ach, wij zien geen tekenen meer voortaan
Uwer gunst; de profeten ons ontbreken;
Niemand wil voor ons noch strijden, noch spreken;
Wanneer zal Uwe toorn van ons toch gaan?

10
Hoelange zult Gij nog dulden, o Heer’,
Dat de booz’ Uwen Naam zo zullen schenden?
Zal ook dat lasteren nimmermeer enden,
Daarmee zij Uwe kracht bespotten zeer?

11
Hoe komt ’t dat Gij Uwe hand zo stil houdt,
En over ons Uw rechterhand niet strekket?
Nochtans is ’t nood, dat Gij die nog eens trekket
Uit den schoot, ter hulp Uwes volks benauwd.

12
Gij zijt toch mijn Koning van ouden tijd,
Die mij wilt en openlijk kunt bewaren;
Als mij zware nood hier is wedervaren,
Gij hebt mij duizendmaal daarvan bevrijd.

13
Gij hebt gedeeld dat meer door Uwe kracht;
De schrikk’lijke draken hebt Gij verslagen,
Zodat wij de waterkanten vol zagen
Van monsters, die Gij, Heer’, hadt omgebracht.

14
Gij slaat den walvis, Heer’, met krachten dood,
Het volk in de woestijne tot een spijze.
Gij brengt ook voort, gans op een nieuwe wijze,
Waterfonteinen uit steenrotsen groot.

15
Gij stilt den vloed der waterstromen breed;
Dag ende nacht hoort U toe desgelijken;
De zon en de sterren zonder afwijken,
Houdt Gij in gewissen gang met bescheed.

16
De landpalen hebt Gij gesteld alleen
Over de ganse wereld, Heer’ almachtig;
De zomer heet, winter, en dat ijs krachtig,
Zijn Uwer handen werken algemeen.

17
Gedenk, HEER’, hoe Uwe vijanden fel
Uw eer verminderen en boos’lijk schenden;
Hoe dat uitzinnig volk aan alle enden
Uwen Naam schoon lastert met zijn opstel.

18
Wil dezen wreden overgeven niet
De ziel Uwes tortelduifkens deemoedig;
Wil ook niet eeuwig vergeten, Heer’ goedig,
Uw arm volk, ’twelk men nu troosteloos ziet.

19
Gedenk, Heer’, aan Uw opgericht verbond,
Dewijl ’t aardrijk zo hard is onderdrukket,
En dat het onder geweld en last bukket
Der bozen, die veel zijn tot dezer stond.

20
Laat Uwen armen knecht niet beschaamd zijn;
Maar geef hem veeleer oorzaak om te zingen
Van Uwen Naam; dat zij mogen ontspringen,
Die benauwdheid lijden met smaad en pijn.

21
Heer’, voer Uw zaak uit, van den slaap opstaat;
En wil deez’ grote smaadheid niet vergeten,
Die U daag’lijks met spotten wordt verweten
Van dit volk, ’twelk Uwen Naam steeds versmaadt.

22
Dat bitter roepen en tieren aanhoort
Der vijanden, die gans uitzinnig razen;
Haar schreeuwen, vol van hoogmoed opgeblazen,
Wordt langs zo groter en vaart altijd voort.

(Psalmberijming van Petrus Datheen)

Ontstaan

Inhoud

Muziek

Zettingen

Bewerkingen om te zingen

Bewerkingen om te spelen

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

Culturele informatie

Literatuur

Externe links

Voetnoten

Beginnetje 2.png Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje. Kerkliedwiki nodigt u uit uw kennis te delen door het artikel te verbeteren.