Kerkliedwiki bundels.png
Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen!

Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.

Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen! Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.

Binnenkort verschijnt: 'Op andere lippen' deel 2, een cd met liederen bij een afscheid. Lees meer over dit project.

Wil je ons werk financieel steunen? Hier vind je meer over doneren. Heb je vragen over de Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

O God, verlos en red mij uit den nood

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is niet te vinden in één van de veelgebruikte liedbundels.
Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
O God, verlos en red mij uit den nood
Vorm Strofelied
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode 1773
Psalm 69
Schrijver David (volgens opschrift)
Latijnse titel Salvum me fac
Vulgaat Psalm 68
Berijming Psalmberijming van 1773
Tekst
Dichter Johannes Eusebius Voet
Bijbelplaats Psalm 69
Metrisch 10-11-11-10-10-11-10-11
Muziek
Componist Loys Bourgeois
Melodie Psalm 51
Solmisatie 3-5-5-6-3-5-5-2-4-3
Gebruik
Kerkelijk jaar Veertigdagentijd
Paastijd
Liedbundels
Psalmberijming van 1773 69

O God, verlos en red mij uit den nood is een berijming van Psalm 69, deze berijming maakt deel uit van de Psalmberijming van 1773. De tekst is van Johannes Eusebius Voet, de melodie is afkomstig uit de Geneefse Psalmen.

Opname beluisteren

Tekst

PSALM 69

1 O God, verlos en red mij uit den nood,
de waat’ren zijn tot aan de ziel gekomen!
Ik zink in ’t slijk, ik voel mij overstromen.
Ik ga te grond’, de vloed is mij te groot!
Ik roep mij moe in dezen jammerstaat,
mijn keel is hees, zij is van droogt’ ontsteken,
en daar ik hoop op God, mijn Toeverlaat,
schrei ik mij blind, mijn ogen zijn bezweken.

2
Men telt veeleer de haren van mijn hoofd,
dan hen, die mij, doch zonder oorzaak, haten.
Men zoekt mijn dood, geen onschuld kan mij baten,
hen zie ik sterk, maar mij van kracht beroofd.
Men eist van mij, waar ik m’ onschuldig ken,
’t geroofde weer, ’k moet voor voldoening zorgen.
Gij weet, o God, hoever ik strafbaar ben,
U is mijn schuld, mijn dwaasheid niet verborgen.

3
Beschaam door mij de stille hope niet
van hen, die U, o HEER’ der legerscharen,
verwachten! Laat geen schande wedervaren
aan hen, die U steeds zoeken in verdriet.
Met mij verging hun hoop, o Isrels God,
daar ik mijn smaad om Uwentwil moet dragen.
Mijn aanschijn is bedekt met schand’ en spot.
Helaas, wat heb ik stof tot bitter klagen!

4
Mijn broed’ren ben ik vreemd, door elk onteerd,
en onbekend den zonen mijner moeder.
’k Vind onder hen noch schutsheer, noch behoeder,
want d’ ijver van Uw huis heeft mij verteerd.
Ik draag den schimp, den smaad en overlast
dergenen die, alziende God, U smaden.
Ik heb geweend, mijn ziel heeft steeds gevast,
maar ’k word te meer met smaadheid overladen.

5
Ik heb mijn vlees met enen zak bekleed,
maar hoor mijn naam ten spot en spreekwoord maken.
De rechters zelfs doen niet dan klappen, laken.
’k Ben ’t snarenspel van dronkaards in mijn leed.
Maar HEER’, tot U, tot U is mijn gebed!
Daar is, o God, een tijd van welbehagen,
een tijd van gunst te mijner hulp gezet:
hoor, naar Uw trouw en heilwoord, dan mijn klagen!

6
Ruk door Uw macht mij uit het slijk, behoed
en laat mij niet verzinken in de waat’ren,
maar red mij uit de handen mijner haat’ren,
uit dezen kolk en diepen watervloed.
Och, laat den stroom mij over ’t hoofd niet gaan,
maar dat Uw arm ’t geweld der diepte stuite,
dat toch de put niet worde toegedaan,
noch over mij zijn mond voor eeuwig sluite.

7
Hoor mij, o HEER’, Uw goedertierenheid
is goed; zie mij dan aan met gunstig’ ogen:
hoe teêr, hoe groot is mij Uw mededogen!
Verhoor Uw knecht, die hete tranen schreit,
verberg voor hem Uw aangezicht toch niet,
want ik bezwijk door angst en tegenheden.
Ai, haast U mij ter hulp in mijn verdriet:
de nood klimt hoog, verhoor mijn smeekgebeden!

8
Genaak, genaak in gunste tot mijn ziel,
bevrijd haar, laat de bozen die mij haten
vijandig zijn en alle deugd verlaten,
nooit roemen, dat ik in hun handen viel.
Gij weet, wat schaamt’ en smaad mij treff’, o God,
daar niemand zich mijn onheil aan wil trekken,
hoe schand’lijk ik der boosheid strekk’ ten spot;
Gij kent hen, die mij dezen angst verwekken.

9
Versmaadheid breekt en scheurt mij ’t hart vaneen.
Ik ben zeer zwak, de lasteringen snijden
mij door de ziel; ik wacht naar medelijden,
naar troosters; maar helaas, ik vind er geen.
Ja, grote God, zij hebben mij tot spijs
bij al mijn smart nog bitt’re gal gegeven;
een edikteug is zelfs een gunstbewijs,
wanneer de dorst mijn lippen saâm doet kleven.

10
Hun tafel word’, o God, hun tot een strik,
een valstrik, waar zij straks in blijven hangen
en vollen loon van al hun kwaad ontvangen.
Vervloek hun spijs, dat niets hun ziel verkwikk’,
verblind hun geest, verduister hun verstand,
verdonker hun gezicht, bewolk hun ogen,
verbreek hun kracht door Uw getergde hand,
dat rusteloos hun lend’nen wagg’len mogen.

11
Stort over hen Uw gramschap uit, vertoon
Uw heten toorn, grijp aan hen, die U haten;
dat hun paleis verwoest zij en verlaten,
dat niemand meer in hunne tenten woon’.
Want dit geslacht, dat zich in ’t kwaad verheugt,
vervolgt dien Gij verwond hebt en geslagen:
zijn smart strekt hun tot tijdverdrijf en vreugd,
zij doen van praat en schimp schier alles wagen.

12
Doe misdaân toe tot al hun euveldaân,
laat hen tot Uw gerechtigheid niet komen,
maar delg hen uit het levensboek der vromen:
schrijf hen met Uw rechtvaardig volk niet aan.
Maar ik, ik ben ellendig en vol smart;
Uw heil, o God, voer’ m’ in een hoge woning.
Dan zing ik blij en uit een dankbaar hart
den groten naam van mijnen God en Koning.

13
Dat zal den HEER’ veel aangenamer zijn
dan os of var, die hunnen klauw verdelen.
De blijdschap zal het hart der vromen strelen,
als zij mij zien, verlost van smart en pijn.
Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,
houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven.
Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet,
nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

14
Gij, hemel, aard’ en zee, vermeldt Gods lof,
laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen!
Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen
en Juda’s steên herbouwen uit het stof.
Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad,
God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;
daar zullen zij, Gods knechten, met hun zaad,
zij, die Zijn naam beminnen, erf’lijk wonen.

(Psalmberijming van 1773)

Ontstaan

Inhoud

Muziek

Zettingen

Bewerkingen om te zingen

Bewerkingen om te spelen

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

Culturele informatie

Literatuur

Externe links

Voetnoten

Beginnetje 2.png Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje. Kerkliedwiki nodigt u uit uw kennis te delen door het artikel te verbeteren.