Kerkliedwiki bundels.png
Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen!

Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.
Wil je ons werk steunen? Hier vind je meer over doneren of koop onze unieke Ubi-cari-tas.

Meer weten of vragen over Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl
Kerkliedwiki bundels.png Kerkliedwiki wijst je de weg naar meer dan 12.000 liederen! Tips nodig? Zo kun je een lied zoeken. Hier vind je een overzicht van alle liedbundels.

Binnenkort verschijnt: 'Op andere lippen' deel 2, een cd met liederen bij een afscheid. Lees meer over dit project.

Wil je ons werk financieel steunen? Hier vind je meer over doneren. Heb je vragen over de Kerkliedwiki? info@kerkmuzieknetwerk.nl

Ontferm U over mij, arme zondaar

Uit Kerkliedwiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit lied is niet te vinden in één van de veelgebruikte liedbundels.
Mogelijk staat het wel in andere liedbundels. Kijk hiervoor in de infobox rechts, onder het kopje 'Liedbundels'.
Ontferm U over mij, arme zondaar
Vorm Strofelied
Herkomst
Taal Nederlands
Land Nederland
Periode Omstreeks 1566
Psalm 51
Schrijver David (volgens opschrift)
Type Boetepsalm
Latijnse titel Miserere mei, Deus
Vulgaat Psalm 50
Berijming Psalmberijming van Petrus Datheen
Tekst
Dichter Petrus Datheen
Bijbelplaats Psalm 51
Metrisch 10-11-11-10-10-11-10-11 (1-9)
10-11-11-10 (10)
Muziek
Componist Loys Bourgeois
Melodie Psalm 69
Solmisatie 3-5-5-6-3-5-5-2-4-3
Gebruik
Trefwoord Boetpsalm
HC Zondag 3 Van de oorsprong der ellende
HC Zondag 26 Van de Heilige Doop
HC Zondag 41 Van het zevende gebod
HC Zondag 51 Van de vijfde bede
Liedbundels
Bundel van Petrus Datheen 51

Ontferm U over mij, arme zondaar is een berijming van Psalm 51, deze berijming maakt deel uit van de Psalmberijming van Petrus Datheen. De tekst is van Petrus Datheen, de melodie is afkomstig uit de Geneefse Psalmen.

Opname beluisteren

Tekst

PSALM 51

1
Ontferm U over mij, arme zondaar,
Heer’, naar Uwe goedheid, niet om volprijzen;
Wil mij ditmaal Uw genade bewijzen,
En vergeef mij mijn zonden groot en zwaar.
Was mij, o God, maak mij zuiver en klaar
Van mijn lelijke stinkende misdaden,
Die mij voor U onrein maken voorwaar;
Reinig mij door ’t water Uwer genade.

2
Want door veel klagen mijn hart mij verflauwt,
Als ik (och arm’) gevoel mijn grote zonde;
En dat meer is, voor mij staan t’ elker stonde
Mijn zonden al; dies ik, Heer’, ben benauwd.
Voor U en tegen U heb ik misdaan;
Dies blijft Gij rechtvaardig in Uwe wegen,
Als Gij mij straft en te gronde laat gaan,
En maakt beschaamd hen die U spreken tegen.

3
Ik weet wel en moet bekennen voortaan,
Dat ik in ongerecht’heid ben geboren;
Ook staat mij dit tot allen tijd wel voren,
Dat mijn moeder in zond’ mij heeft ontvaân.
Ik weet dat Gij liefhebt en begeert zeer
Een hart dat geheel oprecht is en goedig,
’t Welk ik niet heb gehad; dien Gij, o Heer’,
Uwe wijsheid openbaart overvloedig.

4
Gij zult mij met hysop, Heer’, maken rein,
Zo zal ik geheel zuiver zijn bevonden;
Gij zult afwassen mijn smetten en zonden,
Zo word ik witter dan sneeuw in ’t gemein.
Gij zult mij doen horen blijdschap en vreugd,
En mij vannieuws Uwe goedheid geprezen,
Bewijzen, Heer’; dan zullen zeer verheugd
Al mijn benen en al mijn krachten wezen.

5
Gij hebt lang genoeg gezien mijn misdaad,
Wil toch Uw toornig gezicht daarvan wenden,
En vergeef mij (die nu ben vol ellenden)
Mijn boosheid al, en ook deez’ zonde kwaad.
O God, mijn Schepper, schep zonder verdrag
Een rein hart in mij, en een nieuwe leven,
En, opdat ik U wel behagen mag,
Wil mij, o Heer’, enen nieuwen geest geven.

6
Ik bid U, werp mij niet van Uw aanschijn;
En opdat ik besluite mijn begeren:
Uwen Heiligen Geest wil mij niet weren,
Als Hij in mij van U vernieuwd zal zijn.
Doe mij ook nu smaken de zekerheid
Mijner zaligheid, Heer’, door Uw genade;
Geef mij ook den geest der vrijmoedigheid,
Ende sterk mij daarmede vroeg en spade.

7
Dan zal ik gaan in Uw wegen bekwaam,
Den bozen zal ik dien ook vlijtig leren;
Zodat ze hen tot U zullen bekeren,
En volgen mijn voetstappen altezaam.
Wil mij, o God, Heer’ mijner zaligheid,
Van deez’ doodwaardige bloedschuld bevrijden;
Zo zal mijn mond Uwe gerechtigheid
En Uw goedheid zingen ende belijden.

8
O Heer’, wil mij toch opendoen den mond,
Anders kan ik niets goeds spreken waarachtig;
Maar als Gij, Heer’, dien zult openen krachtig,
Zo zal ik Uwen lof schoon maken kond.
Waar’ ’t dat Gij slachtofferen had begeerd,
Der stieren en ossen of diergelijke,
Ik had ze geofferd; maar gans niet weerd
Is voor U zulk off’ren, alzo ’t mag blijken.

9
Een recht offer, dat de Heere neemt aan,
Is een gemoed, benauwd door angst en klagen;
Een need’rig hart en enen geest verslagen,
En zal God niet verachten, maar ontvaân.
O Heer’, doe Sion wel naar Uw goedheid,
En Jeruzalem, die op U betrouwet;
’t Welk is de stad die Gij U hebt bereid;
Haar muren toch genadiglijk opbouwet.

10
Dan zullen onz’ harten zijn zeer bekwaam,
Om te offeren naar Uw welbehagen;
Dan zullen de kalveren zijn geslagen,
Die U, Heer’, zullen wezen aangenaam.

(Psalmberijming van Petrus Datheen)

Ontstaan

Inhoud

Muziek

Zettingen

Bewerkingen om te zingen

Bewerkingen om te spelen

Muziekuitgaven

Hymnologische informatie

Culturele informatie

Literatuur

Externe links

Voetnoten

Beginnetje 2.png Dit artikel is helaas nog slechts een beginnetje. Kerkliedwiki nodigt u uit uw kennis te delen door het artikel te verbeteren.